Logo ikarus.be
Shop

KB Paramotor

Alles over wetten en regels voor paramotor!
Contacteer ons

In't kort

Sinds 2014 is er een koninklijk besluit voor paramotoren, die alles legaal maakt en strikt maar correct reglementeert in België. Hieronder de belangrijkste bepalingen waaraan je moet voldoen alvorens de paramotorlessen module 2 te starten:

  • Minstens 16 jaar zijn
  • Een medische attest klasse 4 bekomen bij een erkende AME
  • 1 of meerdere terreinen registeren (alle info hier en een handige samenvatting waaraan te voldoen)
    • Mondelinge toelating van de eigenaar/huurder bekomen.
    • DGLV informeren via deze link > Kies voor "recreatief terrein" en doorloop alle stappen.
    • Burgemeester informeren via email > Stuur uw pdf door, die je hebt ontvangen in de vorige stap (DLFV).
    • Bovenstaande is een maandelijkse meldingsplicht, geen vraag naar "goedkeuring"! Eenvoudig en automatisch maandelijks laten herhalen kan via het portaal van de paramotorfederatie..

Wanneer je over eigen materiaal beschikt moet je ook nog voldoen aan onderstaande bepalingen:

  • Paramotorscherm registeren (registreer een luchtvaarttuig) en het bewijs van registratie bekomen (kan even duren)
  • Registratienummer bestellen en duidelijk op het scherm plakken (filmpje)
  • Bij oudere paramotorschermen in orde zijn met een geldige schermkeuring (iedere 2 jaar)
  • Correct geïnstalleerde noodparachute (herplooien ieder 1 jaar)

Deze administratie is helemaal niet moeilijk of ingewikkeld. Heb je hulp nodig, aarzel dan niet om langs te komen voor meer uitleg. Wij helpen je graag met uw administratie in orde te brengen!

Handige tip: Installeer de Itsme-app op uw gsm om heel eenvoudig in te loggen op de website van DGLV en alle websites van de overheid. Het zal zelfs uw online banking vergemakkelijken! Bij vragen over app's of uw computer, kan je altijd bij Cris terecht (vroeger informaticus).

Het volledige KB Paramotor 10/06/2014

Hieronder het volledige KB Paramotor van 10/06/2014 in een aangepast, duidelijke en overzichtelijke layout. Bij de belangrijkste bepalingen zetten we ook extra informatie in het rood zoals in onderstaande voorbeeld.

EXTRA: Het is nuttig om het KB Paramotor eens volledig door te lezen!

We hebben met opzet het lange KB Paramotor niet in tabbladen of verschillende pagina's opgedeeld, om het doorzoeken met de zoekfunctie (CMD+F op Apple of CTRL+F op Pc) heel eenvoudig te maken! Hier gaan we ...

Hoofdstuk 1: Definities en algemene bepalingen

ARTIKEL 1:

Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder:

  • Aerodrome Reference Point (ARP): referentiepunt van het luchtvaartterrein, zoals gepubliceerd in de AIP.
  • Paramotor: een licht “foot-launched” luchtvaartuig van het type éénzitter of tweezitter dat bestaat uit een soepel zweefscherm en een voortstuwingsinstallatie die op de rug wordt gedragen of op een wielconstructie is gemonteerd:
    • Van iedere individuele rugconstructie van de paramotor mag de maximale lege massa niet meer bedragen dan 35kg, brandstofhoeveelheid niet inbegrepen.
    • Van iedere individuele wielconstructie van de paramotor mag de maximale lege massa niet meer bedragen dan 120 kg voor het type éénzitter of 200 kg voor het type tweezitter, brandstofhoeveelheid niet inbegrepen.
  • Lokale vlucht: een vlucht uitgevoerd rondom een luchtvaartterrein of een terrein voor paramotoren, op zodanige afstand dat vanaf dit terrein gegeven optische seinen steeds waarneembaar zijn.
  • Luchtvaartgids (AIP): officiële publicatie die de luchtvaartinlichtingen van blijvende aard bevat die essentieel zijn voor het vliegverkeer.
  • Medisch attest van klasse 4: een medisch attest van klasse 4, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 juli 2013 tot regeling van de organisatie van de controle van de voorwaarden inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de leden van het stuurpersoneel van burgerlijke luchtvaartuigen en van luchtverkeersleiders.
  • Monitor: houder van een toelating tot het besturen van een paramotor met een bevoegdverklaring voor monitor.
  • Notice To AirMan (NOTAM): kennisgeving met inlichtingen omtrent de instelling, toestand of verandering van enige luchtvaartfaciliteit, -dienstverlening, -procedure, -gevaar, waarvan het noodzakelijk is dat operationeel luchtvaartpersoneel tijdig kennis neemt.
  • Plaatselijk verkeersleidingsgebied (CTR): verkeersleidingsgebied dat zich verticaal uitstrekt vanaf het aardoppervlak tot aan een vastgestelde bovengrens.
  • Praktische check-up: test bestaande uit de oefeningen van de praktische proef zoals omschreven in bijlage III bij dit besluit.
  • Terrein voor paramotoren met een permanent karakter: terrein dat gebruikt wordt voor het opstijgen en het landen van paramotoren, dat niet voldoet aan de definitie van een terrein voor paramotoren met een tijdelijk karakter.
  • Terrein voor paramotoren met een tijdelijk karakter: terrein dat, binnen een periode van 2 jaar, slechts 1 keer voor een maximale duur van 31 opeenvolgende dagen of slechts 1 keer voor een maximale duur van 20 dagen gespreid over maximaal 2 maanden gebruikt wordt voor het opstijgen en het landen van paramotoren.
  • Terrein voor paramotoren met een recreatief karakter: terrein dat, binnen een periode van één maand, gebruikt mag worden gedurende 6 dagen, met een maximum van 2 opeenvolgende dagen en met een maximum van 8 paramotoren tegelijkertijd.
  • Werkdagen: elke dag met uitzondering van zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen.
  • Verkeersleidingsgebied: een luchtruim met vastgestelde begrenzingen waarbinnen de luchtverkeersleiding wordt verzekerd voor IFR en VFR vluchten in ATS- luchtruimen van klasse A, B, C, D en E.
  • Directoraat-generaal Luchtvaart (DGLV): directoraat binnen de FOD Mobiliteit en Vervoer bevoegd voor de luchtvaart.
  • Directeur-generaal: Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Luchtvaart.
  • Vogelrichtlijngebied: gebied op het land of water dat aangeduid is als vogelrichtlijngebied.
  • Stiltegebied: gebied op het land of water dat aangeduid is als stiltegebied.

ARTIKEL 2:

De paramotoren die beantwoorden aan de bij dit besluit vastgestelde voorwaarden zijn vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 2 tot 42 van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart.

Hoofdstuk 2: Registratie

2.1: AANVRAAG TOT REGISTRATIE

ARTIKEL 3: 

Bij het Directoraat-generaal Luchtvaart wordt een register van de paramotoren bijgehouden.

ARTIKEL 4: 

§1: 

Worden geregistreerd op aanvraag, de paramotoren die geheel of gedeeltelijk, in volle eigendom toebehoren aan in België woonachtige onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

§2: 

Kunnen worden geregistreerd door de Directeur-generaal, de paramotoren welke gedeeltelijk in volle eigendom toebehoren aan onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte die in België hun woonplaats hebben.

§3: 

Kunnen worden geregistreerd door de Directeur-generaal, de paramotoren welke geheel of gedeeltelijk in volle eigendom toebehoren aan:

  1. Belgen die hun woonplaats in het buitenland hebben maar met het oog op de registratie een gekozen woonplaats in het Rijk hebben.
  2. Vreemdelingen die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en die toegelaten of gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen, en die er sedert ten minste één jaar ononderbroken verblijf houden.

ARTIKEL 4: 

Iedere belanghebbende kan op verzoek inzage verkrijgen in het register van de paramotoren bij het Directoraat-generaal Luchtvaart.

ARTIKEL 5: 

Geen enkele in het buitenland geregistreerde of ingeschreven paramotor wordt in België geregistreerd alvorens hij in het buitenlands register is doorgehaald.

ARTIKEL 6: 

Het registreren of inschrijven in het buitenland van een vroeger in het Belgisch register van de paramotoren geregistreerd luchtvaartuig heeft in het Koninkrijk slechts uitwerking indien de registratie in het Belgisch register vooraf is doorgehaald.

ARTIKEL 8: 

§1: 

De in artikel 4 bedoelde personen, die in België een paramotor wensen te registreren, richten aan de Directeur-generaal een ondertekende aanvraag tot registratie.

§2: 

In de aanvraag tot registratie wordt opgave gedaan van:

  1. Het merk, het model, het bouwjaar en het serienummer of de serienummers ongeacht of de paramotor uit een geheel bestaat of is samengesteld uit verschillende onderdelen die verwisseld kunnen worden.
  2. De naam, voornamen, nationaliteit, woon- en verblijfplaats en, in voorkomend geval, de gekozen woonplaats van de aanvrager.

Indien één of meer andere natuurlijke personen of rechtspersonen dan de aanvrager, rechten van eigendom hebben op de paramotor, vermeldt de aanvraag het aandeel van die rechten, alsmede, ook voor elk van die personen, de hierboven bepaalde gegevens.

§3: 

Bij de aanvraag worden gevoegd:

  1. Een nationaliteitsbewijs van elk der natuurlijke personen en de statuten van elk der rechtspersonen, die voor de registratie in aanmerking worden genomen.
  2. De bewijsstukken waaruit de rechten van de aanvrager op de paramotor blijken.
  3. In voorkomend geval een getuigschrift van doorhaling in het buitenlandse register.
  4. Belgische douaneadministratie afgegeven attest:
    1. Hetzij een door de Belgische douaneadministratie afgegeven attest waaruit blijkt dat er vanuit douane- en/of fiscaal oogpunt geen bezwaar bestaat tegen de registratie van de paramotor.
    2. Ofwel een door de Belgische douaneadministratie afgegeven attest waaruit blijkt dat de douanevoorschriften, die van toepassing zijn op tijdelijk ingevoerde paramotoren werden nageleefd.
  5. Een dossier bestaande uit volgende documenten:
    1. Het referentieformulier zoals voorzien in bijlage II bij dit besluit, waarin de aanvrager verklaart dat de paramotor waarvoor hij de registratie wenst te bekomen aan alle technische vereisten van dit besluit voldoet.
    2. Een verklaring waarin de aanvrager verklaart over een gebruikershandleiding voor zijn paramotor te beschikken.

§4: 

De in artikel 8, §3, 4°, 1), en artikel 8, §3, 5° voorziene verplichtingen gelden niet voor de gebruikte paramotoren waarvoor aangetoond wordt dat ze bij een vorige registratie hier te lande reeds een dergelijk attest kregen en voor zover deze paramotoren sedert die registratie het land niet verlaten hebben op een andere wijze dan in het internationaal verkeer zonder verandering van eigenaar.

ARTIKEL 9: 

Van elk feit, dat aanleiding geeft tot wijziging van de gegevens die volgens artikel 8 moeten voorkomen in de aanvraag en de bewijsstukken voor te leggen met het oog op de registratie, wordt binnen dertig dagen door de titularis van het bewijs van registratie schriftelijk kennisgegeven aan de Directeur-generaal.

2.2: BEWIJS VAN REGISTRATIE

ARTIKEL 10: 

De aanvrager ontvangt een bewijs van registratie voor elk in het register van de paramotoren ingeschreven luchtvaartuig.

ARTIKEL 11:

In geval van ongewilde buitenbezitstelling van het bewijs van registratie, kan de Directeur-generaal dat vervangen.

ARTIKEL 12:

§1: 

De registratie eindigt:

  1. Ingeval de eigendomsrechten of de rechten van vruchtgebruik van de houder van het bewijs van registratie verstrijken.
  2. Ingeval één van de oorzaken voor ambtshalve doorhaling van de registratie zich voordoet.
  3. Ingeval de doorhaling plaatsheeft op grond van artikel 14.

§2: 

Wanneer het bewijs van registratie niet meer geldig is, dient de houder het onmiddellijk terug te zenden aan de Directeur-generaal.

2.3: DOORHALING VAN DE REGISTRATIE

ARTIKEL 13: 

De registratie in het register van de paramotoren wordt ambtshalve doorgehaald:

  1. Wanneer de paramotor buiten gebruik is.
  2. Wanneer men van de paramotor geen nieuws meer heeft sedert 3 maanden, gerekend vanaf de dag van zijn vertrek of vanaf de dag waarop het laatst ontvangen nieuws betrekking heeft.
  3. Wanneer niet meer voldaan wordt aan de in artikel 4 omschreven registratievoorwaarden.

ARTIKEL 14: 

Behalve de bepalingen van artikel 13, kan de registratie, die op grond van artikel 4, §2 en 3, heeft plaatsgehad te allen tijde door de Directeur-generaal worden doorgehaald indien de voorwaarden van artikel 4, §2 en 3 niet langer worden voldaan.

ARTIKEL 15: 

Van de doorhaling wordt schriftelijk kennisgegeven aan de persoon aan wie het bewijs van registratie werd afgegeven. Een bewijs van doorhaling wordt afgegeven aan al wie zulks aanvraagt.

2.4: REGISTRATIEKENMERKEN

ARTIKEL 16:

Iedere paramotor geregistreerd in het register van de paramotoren voert zijn registratiemerk bestaande uit de kenmerken van de Belgische nationaliteit, namelijk de letters OO, gevolgd door het registratiekenmerk, bestaande uit een groep van drie tekens, bestaande uit hetzij letters, hetzij cijfers, hetzij een combinatie van letters en cijfers.

Het nationaliteitskenmerk staat voor het registratiekenmerk en is hiervan gescheiden door een horizontale streep.

ARTIKEL 17:

Elke bestuurder van een paramotor zorgt ervoor dat het in artikel 16 bedoelde registratiemerk op een goed zichtbare plaats wordt aangebracht op het zweefscherm.

De elementen van het registratiemerk moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

  1. De hoogte van het registratiemerk bedraagt minstens 30cm.
  2. De breedte van elk teken bedraagt 2/3 van de hoogte van elk teken.
  3. De hoogte van de horizontale streep bedraagt 2/3 van de lengte van de horizontale streep.
  4. De dikte van elk teken bedraagt 1/6e van de hoogte.
  5. Ieder teken wordt van het volgende gescheiden door een ruimte gelijk aan 1/6e van de breedte van het teken.
  6. De tekens bestaan uit volle lijnen en hebben een kleur die duidelijk afsteekt tegen de achtergrond.

Hoofdstuk 3: Luchtwaardigheid

3.1: ALGEMEENHEDEN

ARTIKEL 18: 

De eigenaar van de paramotor is verantwoordelijk voor het behouden van de luchtwaardigheid van zijn paramotor.

3.2: TECHNISCHE VOORWAARDEN

ARTIKEL 19:

De paramotoren moeten volgende prestaties kunnen uitvoeren:

  1. Opstijgen van een horizontaal vlak.
  2. Glijvluchten uitvoeren en landen met de voortstuwingsinstallatie buiten werking.

Het door de paramotor voortgebrachte geluidsniveau, gemeten volgens de methode beschreven in bijlage I bij dit besluit, mag niet hoger zijn dan 88 dB (A) voor het type éénzitter en 92 dB (A) voor het type tweezitter.

ARTIKEL 20:

De volgende minimumuitrusting wordt aan boord van elke paramotor meegenomen:

  1. Een hoogtemeter.
  2. Een kompas.
  3. Een veiligheidsgordel per zetel.
  4. Een beschermingsinstallatie die:
    1. de risico's van aanraking met de uiteinden van de schroefbladen beperkt.
    2. Vermijdt dat stukken, die loskomen van de structuur of van de uitrusting van de piloot, het gebied van de schroeven bereiken.
  5. Elke andere uitrusting die door de constructeur verplicht is gemaakt om het beheer van de parameters van de vlucht en de motor van de paramotor te verzekeren.

ARTIKEL 21:

De paramotor mag enkel gebruikt worden als hij zich in zulke staat van onderhoud bevindt dat zijn basiskarakteristieken behouden blijven en hij alle waarborgen vertoont voor een veilig gebruik.

Hiertoe dient de eigenaar van de paramotor voor elke paramotor een boekje bij te houden waarin alle technische incidenten en onderhoudswerken, inzonderheid de herstellingen en het vervangen van onderdelen moeten worden vermeld.

Dit boekje moet op eenvoudige aanvraag voorgelegd worden aan de beambten aangeduid door de Directeur-generaal.

Alle werken en controles worden uitgevoerd volgens de gebruikershandleiding die deel uitmaakt van het technisch dossier waarvan sprake in artikel 8.

3.3: GESCHIKTHEID TOT VLIEGEN

ARTIKEL 22:

De geschiktheid tot vliegen van een paramotor wordt vastgesteld door het bewijs van registratie.

ARTIKEL 23:

Het bewijs van registratie kan worden ingetrokken of geschorst door de Directeur-generaal:

  1. In geval van averij.
  2. In geval van gebrek aan onderhoud.
  3. Indien de paramotor een gebrek vertoont waardoor de luchtvaartveiligheid in gevaar wordt gebracht.

Hoofdstuk 4: Toelating tot het luchtverkeer

ARTIKEL 24:

§1: 

Geen paramotor wordt tot het luchtverkeer toegelaten indien hij niet is geregistreerd en indien hij de volgende bewijsstukken niet meevoert:

  1. Het bewijs van registratie;
  2. De toelating tot besturen van een paramotor van het stuurpersoneel;
  3. Het referentieformulier zoals voorzien in bijlage II bij dit besluit.

In afwijking van het bovenstaande lid, kan de paramotor die bestuurd wordt door een persoon die zich met toepassing van de regels van dit besluit wenst voor te bereiden op de praktische proef zoals bedoeld in bijlage III bij dit besluit, toegelaten worden tot het luchtverkeer voor zover aan de bepaling vermeld onder punten 1° en 3° voldaan is.

§2: 

De in punten 1° tot 3° genoemde bewijsstukken worden opgemaakt overeenkomstig de voorschriften van de Directeur-generaal.

§3: 

De bewijsstukken vermeld in de punten 1° tot 3° moeten op eenvoudige aanvraag voorgelegd worden aan de beambten aangeduid door de Directeur-generaal.

Hoofdstuk 5: Besturing

5.1: ALGEMEENHEDEN

ARTIKEL 25:

§1: 

Niemand mag een paramotor besturen als hij geen houder is van een toelating tot het besturen van een paramotor en van een geldig medisch attest.

De uitoefening van de voorrechten van de toelating tot het besturen is beperkt tot het grondgebied van het Koninkrijk.

§2: 

In afwijking van §1, mag iedere persoon die de leeftijd van 16 jaar bereikt heeft en houder is van een geldig medisch attest onder toezicht van een monitor een paramotor besturen om zich voor te bereiden op de praktische proef zoals bedoeld in bijlage III bij dit besluit.

§3: 

De toelating tot besturen van een paramotor en de bevoegdverklaring als monitor worden uitgereikt door de Directeur-generaal.

Deze toelating en bevoegdverklaring kunnen steeds, voor de duur die hij bepaalt, geweigerd, ingetrokken, geschorst of beperkt worden door de Directeur-generaal, indien de houder de luchtvaartveiligheid of de veiligheid van personen of goederen in gevaar brengt of de luchtvaartwetgeving of.-reglementering niet naleeft.

5.2: TOELATING TOT HET BESTUREN

ARTIKEL 26:

§1: 

De toelating tot het besturen van een paramotor verleent de houder ervan toestemming tot:

  1. Het besturen, als enig inzittende, van elke paramotor waarvoor hij overeenkomstig de bepalingen van §2, 4. zijn bevoegdheid heeft bewezen;
  2. Het besturen van een paramotor, met een passagier aan boord, op voorwaarde dat hij/zij:
    a) sedert het bekomen van de toelating tot het besturen ten minste 50 vlieguren uitgevoerd heeft met inbegrip van minstens 60 opstijgingen en 60 landingen als enig inzittende van een paramotor;
    b) ten overstaan en tot voldoening van een monitor, die er melding van maakt in het vliegboek van de betrokkene, ten minste 5 opstijgingen en 5 landingen met de monitor als passagier heeft uitgevoerd;
    c) gedurende de 90 dagen die aan de vlucht voorafgaan ten minste 3 opstijgingen en 3 landingen heeft uitgevoerd.

§2: 

Om de toelating tot het besturen van een paramotor te bekomen, moet de aanvrager:

  1. Ten minste 16 jaar oud zijn;
  2. a) hetzij geslaagd zijn voor het examen over de vakken luchtvaartwetgeving (begrippen) en - reglementering. Dit examen zal in het bijzonder handelen over de door een bestuurder van een paramotor te kennen stof;
    b) hetzij het bewijs leveren dat hij houder is van een toelating tot het besturen van een ULM/DPM, van een vergunning van bestuurder van vliegtuigen of van een vergunning van bestuurder van helikopters;
  3. Een ervaring aantonen van ten minste 10 vlieguren met inbegrip van 30 opstijgingen en 30 landingen, met een paramotor onder toezicht van een monitor;
  4. Het bewijs geleverd hebben, ten overstaan van een monitor, van de theoretische en praktische kennis bepaald in bijlage III. De monitor stelt vast dat de kandidaat geslaagd dan wel gezakt is en maakt hiervan melding in het vliegboek van de kandidaat.

Een lijst met de gegevens van erkende monitors kan op eenvoudig verzoek van de kandidaat bij het Directoraat-generaal Luchtvaart worden bekomen.

ARTIKEL 27:

§1: 

De toelating tot het besturen van een paramotor is onbeperkt geldig voor zover de houder in het bezit is van een geldig medisch attest en op voorwaarde dat de houder van een toelating tot het besturen van een paramotor minstens een maal per periode van 24 maanden die voor het eerst begint te lopen op de dag waarop de toelating tot het besturen van een paramotor werd afgeleverd, slaagt voor een praktische check-up.

Nalaten de praktische check-up te ondergaan binnen de in het vorige lid bedoelde periode, leidt van rechtswege tot schorsing van de geldigheid van de toelating tot het besturen van een paramotor.

§2: 

De monitor neemt de praktische check-up af.

Een lijst met de gegevens van erkende monitors kan op eenvoudig verzoek van de houder van een toelating tot het besturen van een paramotor bij het Directoraat-generaal Luchtvaart worden bekomen. De monitor stelt vast dat de houder van een toelating tot het besturen van een paramotor geslaagd dan wel gezakt is voor de praktische check-up. De monitor vermeldt de datum en het resultaat van de praktische check-up in het vliegboek.

§3: 

Het niet slagen voor de praktische check-up leidt van rechtswege tot onmiddellijke schorsing van de geldigheid van de toelating tot het besturen van een paramotor.

De schorsing van de geldigheid van de toelating tot het besturen van een paramotor kan slechts worden opgeheven indien de houder ervan opnieuw slaagt in de praktische check-up.

§4: 

Het is de houder van een toelating tot het besturen van een paramotor die geschorst werd wegens het niet slagen voor de praktische check-up enkel toegestaan zich op de praktische proef zoals bedoeld in bijlage III bij dit besluit voor te bereiden onder toezicht van een monitor.

De houder van een toelating tot het besturen van een paramotor die geschorst werd wegens het niet slagen voor de praktische check-up die zich wenst voor te bereiden op de praktische proef zoals bedoeld in bijlage III bij dit besluit dient in het bezit te zijn van een geldig medisch attest van klasse 4.

5.3: BEVOEGDVERKLARING MONITOR VOOR PARAMOTOREN

ARTIKEL 28:

De bevoegdverklaring monitor voor <paramotoren> staat de houder toe:

  1. Onderricht te geven in het besturen met het oog op het verkrijgen van de toelating tot het besturen van een paramotor;
  2. De praktische check-up af te nemen van de houder van een toelating tot het besturen van een paramotor;
  3. Het examen af te nemen van de kandidaat monitor voor <paramotoren> na hiervoor te zijn aangeduid door het Directoraat-generaal Luchtvaart.

ARTIKEL 29:

Om de bevoegdverklaring als monitor voor <paramotoren> te bekomen moet de aanvrager:

  1. Houder zijn van een geldige toelating tot het besturen van een paramotor;
  2. Een ervaring hebben van minstens 200 vlieguren met inbegrip van 150 opstijgingen en 150 landingen als bestuurder van een paramotor, waarvan minstens 50 uren in de laatste 24 maanden;
  3. Volgende bewijsstukken indienen bij het Directoraat-generaal Luchtvaart:
    a) het gedetailleerd praktisch instructieprogramma door hem opgemaakt voor een paramotor met inbegrip van de opeenvolgende stappen in dit programma en zijn instructiemethode:
    - de basistechnieken, omgaan met het zweefscherm en de voortstuwings-installatie;
    - voorbereiding pre-check flight controles van het zweefscherm en de voortstuwingsinstallatie;
    - de verschillende lift-off methodes van het zweefscherm en de voortstuwings-installatie;
    - techniek van de voortstuwingsinstallatie gebruikt voor een paramotor;
    - opstijgtechnieken;
    - landingstechnieken met en zonder voortstuwing van de motor;
    - koersveranderingen 90°, 180°, 270° en 360° ;
    - navigatietechniek;
    b) een exemplaar van de theoretische cursus die hij voornemens is te gebruiken om aan zijn leerlingen onderricht te geven in volgende vakken:
    - de luchtvaartwetgeving en -reglementering;
    - de technische en operationele gegevens van de paramotor;
    - de techniek van het vliegen;
    - de werking van de instrumenten : kompas en hoogtemeter;
    - de meteorologie en aërologie;
    - de aërodynamica aangepast aan de <paramotoren>;
    - de motoren gebruikt op de <paramotoren>;
    - de luchtvaartnavigatie aangepast aan <paramotoren>;
  4. Onder toezicht en tot voldoening van een door het Directoraat-generaal Luchtvaart aangewezen monitor een opleiding hebben gevolgd waarvan het programma overeenkomt met het praktisch instructieprogramma zoals bepaald in 3.a);
  5. Geslaagd zijn voor de in bijlage IV bedoelde examens.

ARTIKEL 30:

De voorrechten verbonden aan de bevoegdverklaring als monitor kunnen worden uitgeoefend gedurende een periode van ten hoogste drie jaar. Daarna wordt de uitoefening van deze voorrechten opnieuw toegestaan voor periodes van ten hoogste drie jaar indien de betrokkene in de loop van het laatste jaar van de geldigheid van zijn bevoegdverklaring als monitor het bewijs levert van het behoud van zijn bedrevenheid als monitor ten overstaan van een door de Directeur-generaal aangewezen monitor.

5.4: EXAMENS

ARTIKEL 31:

§1: 

De Directeur-generaal stelt de wijze voor het indienen van de examenaanvragen vast en treft de nodige schikkingen voor de inrichting van de examens.

§2: 

De in bijlage III van dit besluit beschreven examens worden afgelegd voor een houder van een toelating tot het besturen van een paramotor die over de bevoegdverklaring `monitor voor <paramotoren>' beschikt.

Het didactisch examen op de grond zoals bedoeld in bijlage IV bij dit besluit wordt afgelegd voor een examinator van het Directoraat-generaal Luchtvaart.

Het praktisch examen zoals bedoeld in bijlage IV bij dit besluit, wordt afgenomen door een door het Directoraat-generaal Luchtvaart aangewezen monitor.

ARTIKEL 32:

Voor elk examen stelt de persoon die het examen afneemt vast dat de kandidaat geslaagd dan wel gezakt is en brengt hierover verslag uit aan de Directeur-generaal.

5.5: VLIEGBOEK

ARTIKEL 33:

De bestuurder schrijft al zijn vluchten chronologisch in zijn vliegboek in met vermelding van de gebruikte paramotor en zijn registratienummer, de duur van de vlucht alsook de plaatsen van opstijgen en landen. De vluchten uitgevoerd onder toezicht van een monitor worden door deze laatste afgetekend in het vliegboek.

ARTIKEL 34:

Het vliegboek, waarvan het model goedgekeurd is door de Directeur-generaal, wordt voorgelegd vóór de uitreiking van een toelating tot het besturen van een paramotor en van de bevoegdverklaring als monitor en op aanvraag van de Directeur-generaal of van zijn gemachtigde.

Hoofdstuk 6: Terreinen voor paramotoren

ARTIKEL 35:

§1: 

Een terrein voor <paramotoren> met een permanent karakter moet aangelegd worden in overeenstemming met artikel 43 van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart.

§2: 

In afwijking van §1, dienen de gebruikers van een terrein voor <paramotoren> met een tijdelijk karakter daartoe over de schriftelijke toelating van de eigenaar of huurder van het terrein te beschikken.

Ten minste 2 werkdagen vóór de ingebruikneming informeren de gebruikers de burgemeester en het Directoraat-generaal Luchtvaart over de ligging van het terrein, onder de vorm van een ondertekende verklaring dat het terrein voor <paramotoren> met een tijdelijk karakter voldoet aan de bepalingen van dit besluit.

§3: 

In afwijking van §1, dienen de gebruikers van een terrein voor <paramotoren> met een recreatief karakter daartoe over de toelating van de eigenaar of huurder van het terrein te beschikken.

Tenminste 2 werkdagen vóór de ingebruikneming informeren de gebruikers de burgemeester. Tenminste 2 uren vóór de ingebruikneming informeren de gebruikers het Directoraat-generaal Luchtvaart over de ligging van het terrein, onder de vorm van een ondertekende verklaring dat het terrein voor <paramotoren> met een recreatief karakter voldoet aan de bepalingen van dit besluit.

EXTRA:

  1. Samenvatting recreatief terrein (.pdf).
  2. Schematische voorstelling paramotorterrein (.jpg).

ARTIKEL 36:

§1: 

De terreinen die gebruikt worden voor het opstijgen en landen van <paramotoren>, moeten voldoen aan volgende voorwaarden:

  1. De terreinen hebben minimale afmetingen zodanig dat zij een cirkel kunnen omvatten met een diameter van 30 m voor <paramotoren> van het type eenzitter en van 50 m voor <paramotoren> van het type tweezitter;
  2. De terreinen dienen effen te zijn en vrij van hindernissen;
  3. Over een afstand van 150m vanaf de rand van het terrein mogen zich geen hindernissen bevinden die voor opstijgende of landende <paramotoren> een gevaar kunnen betekenen;
  4. De afstand vanaf de rand van het terrein tot de hierna opgesomde gebouwen of installaties moet minstens 100m bedragen:
    - openbare gebouwen;
    - autosnelwegen;
    - gewest-, provincie- en gemeentewegen die het statuut van hoofdweg hebben;
    - waterwegen;
    - spoorwegen;
    - hoogspanningslijnen;
    - windturbines;
    - GSM-masten;
    - industriële installaties;
    - haveninstallaties.
  5. De terreinen mogen niet gelegen zijn binnen een CTR, of op minder dan:
    • 3km ten opzichte van het ARP van een luchtvaartterrein voor ultralichte motorluchtvaartuigen zoals bepaald in het koninklijk besluit van 25 mei 1999 tot vaststelling van de bijzondere voorwaarden opgelegd voor de toelating tot het luchtverkeer van ultralichte motorluchtvaartuigen, tenzij met de uitbater van dit luchtvaartterrein schriftelijk de nodige schikkingen overeengekomen zijn om de bewegingen van de <paramotoren> gescheiden te houden van de andere bewegingen op dit luchtvaartterrein;
    • 1km ten opzichte van het ARP van een luchtvaartterrein dat uitsluitend geschikt is voor helikopters;
    • 9km ten opzichte van het ARP van de luchtvaartterreinen Kortrijk/Wevelgem (EBKT) en Sint-Truiden/Brustem (EBST), en 5km ten opzichte van het ARP van elk ander luchtvaartterrein dat geschikt is voor vliegtuigen;
  6. De terreinen mogen zich niet op minder dan 300 m van enige woning of toebehoren ervan bevinden, behalve ingeval van een schriftelijke toelating van de eigenaars ervan, in welk geval een minimum afstand van 100m dient verzekerd te zijn;
  7. De terreinen moeten gemakkelijk bereikbaar zijn met een motorvoertuig of voertuigen van hulpdiensten.
  8. De terreinen mogen niet in Vogelrichtlijngebieden of stiltegebieden gelegen zijn.

§2: 

Tijdens het gebruik moet zich op het terrein een windrichtingaanwijzer bevinden. Deze is zodanig geplaatst dat hij zichtbaar is voor een paramotor in vlucht of op het terrein en niet onderhevig is aan turbulenties die veroorzaakt worden door omliggende voorwerpen.

De windrichtingaanwijzer moet de windrichting en een indicatie van de windsnelheid aangeven.

ARTIKEL 37: 

§1: 

De uitbater van een terrein voor <paramotoren> met een permanent karakter is ertoe gehouden:

  1. Alle nodige schikkingen te treffen voor de veiligheid en de goede orde op zijn terrein en daartoe de nodige personen en middelen, waaronder brandblusmiddelen, ter beschikking te stellen. De uitbater is verantwoordelijk voor de veiligheid en de goede orde op zijn terrein;
  2. Een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid af te sluiten tot dekking van lichamelijke en materiële schade aan derden;
  3. De A.I.P. en de van kracht zijnde NOTAMs ter beschikking te houden;
  4. Het gebruiksreglement op het terrein voor <paramotoren> en de operationele beperkingen ter kennis te brengen van elke gebruiker en het voor raadpleging beschikbaar te houden;
  5. Aan de personeelsleden van het Directoraat-generaal Luchtvaart de vrije en kosteloze toegang tot zijn terrein te verlenen bij het uitoefenen van hun functie.

§2: 

De gebruikers van een terrein voor <paramotoren> met een tijdelijk karakter zijn ertoe gehouden:

  1. Alle nodige schikkingen te treffen voor de veiligheid en de goede orde op het terrein en daartoe de nodige personen en middelen, waaronder brandblusmiddelen, ter beschikking te stellen. De gebruikers zijn verantwoordelijk voor de veiligheid en de goede orde op het terrein;
  2. Een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid af te sluiten tot dekking van lichamelijke en materiële schade aan derden;
  3. Voor het aanvangen van de vlucht of de vluchten de A.I.P. en de van kracht zijnde NOTAMs te consulteren;
  4. Aan de personeelsleden van het Directoraat-generaal Luchtvaart de vrije en kosteloze toegang tot hun terrein te verlenen bij het uitoefenen van hun functie.

ARTIKEL 38:

De geschreven aanvraag voor het bekomen van een machtiging van aanleg van een terrein voor <paramotoren> met een permanent karakter dient gericht te worden aan het Directoraat-generaal Luchtvaart.

De aanvraag gaat vergezeld van een technisch dossier bestaande uit:

  1. Indien de aanvrager een natuurlijk persoon is, de volledige identiteit en het adres van de aanvrager; indien de aanvrager een rechtspersoon is, dienen de statuten van de rechtspersoon, de samenstelling van de raad van bestuur en de volledige identiteit van de voorzitter of de volledige identiteit van de bestuurders toegevoegd te worden;
  2. Een advies van de gemeentelijke overheid, of, indien voorzien, de vereiste milieu- en/of stedenbouwkundige vergunningen;
  3. Een plan van het terrein en zijn omgeving (tot minimum 150 m van de rand van het terrein), waarop alle voorwerpen met hun hoogte aangeduid zijn, aangebracht op een kaart van het Nationaal Geografisch Instituut op schaal 1/10 000e of groter;
  4. Een uittreksel van het kadastraal plan met het nummer van de gebruikte percelen en de naam van de eigenaars. Op dat plan moeten de grens van de gebruikte percelen evenals hun precieze afmetingen en de afmetingen van het terrein aangeduid zijn;
  5. Een plan op schaal 1/5 000e of groter waarop de voornaamste inrichtingen en voorzieningen voor het gebruik van het terrein zijn aangegeven;
  6. Een nota die preciseert voor welk gebruik het terrein bestemd is evenals de beoogde bijzondere uitbatingsregels;
  7. Indien de uitbater geen eigenaar is van de gebruikte terreinen, een toelating van de eigenaars en, in voorkomend geval, van de huurders.

ARTIKEL 39:

De uitbater van een terrein voor <paramotoren> met een permanent karakter brengt het Directoraat-generaal Luchtvaart zonder uitstel op de hoogte van:

  1. Elke wijziging aan de statuten of van de samenstelling van de raad van bestuur, indien de uitbater een rechtspersoon is;
  2. Elke wijziging aan het terrein en zijn omgeving;
  3. Elk geval waarbij de technische voorwaarden betreffende de terreinen voor <paramotoren> niet langer gerespecteerd zouden zijn. In dat geval staakt de uitbater alle activiteiten op het terrein. Wanneer het feit dat tot deze mededeling aanleiding gaf, opgehouden heeft te bestaan, verwittigt de uitbater eveneens het Directoraat-generaal Luchtvaart.

ARTIKEL 40: 

§1:

De controle van de overeenstemming van het terrein met de bepalingen vastgelegd in dit besluit wordt uitgevoerd door het Directoraat-generaal Luchtvaart. Zij vindt plaats:

  1. Vóór de eventuele afgifte van de machtiging van aanleg van een terrein voor <paramotoren> met een permanent karakter of van een aanpassing van die machtiging ten gevolge van aanpassingen aan het terrein;
  2. Telkens wanneer het Directoraat-generaal Luchtvaart het nodig acht.

§2: 

De machtiging van aanleg of van elke aanpassing ervan, wordt afgeleverd aan de uitbater of overgedragen aan een nieuwe uitbater door de Directeur-generaal nadat door het Directoraat-generaal Luchtvaart is vastgesteld dat voldaan is aan de bepalingen van dit besluit.

§3: 

De geldigheidsduur van de machtiging van aanleg van een terrein voor <paramotoren> met een permanent karakter is onbepaald.

ARTIKEL 41:

De Directeur-generaal kan:

  1. De machtiging van aanleg intrekken wanneer de uitbater:
    a) de uitbating van het terrein voor <paramotoren> met een permanent karakter beëindigt;
    b) de bepalingen van dit besluit niet naleeft;
    c) bij herhaling feiten van nalatigheid of vervalsing heeft gepleegd die de luchtvaartveiligheid in het gedrang brengen.
  2. De machtiging van aanleg schorsen, wanneer:
    a) de bepalingen van dit besluit niet nageleefd worden;
    b) de operationele veiligheid dat eist;
    c) de genomen maatregelen om de luchtvaartveiligheid te herstellen niet het gewenste resultaat hebben gehad;
    d) de uitbater onvoldoende bekwaam is om een terrein voor <paramotoren> met een permanent karakter uit te baten;
    e) de uitbater niet in staat is de nodige maatregelen te nemen om de luchtvaartveiligheid te herstellen of deze weigert te nemen.
  3. De draagwijdte van de machtiging van aanleg beperken, wanneer de luchtvaartveiligheid dat vereist of om de uitbater in staat te stellen maatregelen te nemen om het niveau van de luchtvaartveiligheid te herstellen;
  4. De gebruiksvoorwaarden van een terrein voor <paramotoren> met een permanent karakter wijzigen om rekening te houden met de aan de omgeving aangebrachte wijzigingen.

ARTIKEL 42:

Wanneer de luchtvaartveiligheid dat vereist, kan de Directeur-generaal beslissen het gebruik van een terrein voor <paramotoren> tijdelijk of definitief te verbieden.

Hoofdstuk 7: Bewegingen

ARTIKEL 43:

De bewegingen van <paramotoren> zijn onderworpen aan het koninklijk besluit van 15 september 1994 tot vaststelling van de vliegverkeersregelen. Daarenboven :

  1. Mag het opstijgen en landen van <paramotoren> slechts plaatsvinden op een terrein voor <paramotoren> met een permanent of tijdelijk karakter dat voldoet aan de bepalingen van de artikelen 35, 36 en 37;
  2. Mogen de <paramotoren> slechts vliegen tussen zonsopgang en zonsondergang en met zicht op de grond of het water, en in de meteorologische omstandigheden voor zichtvluchten. De zichtbaarheid op de grond en in de lucht mag bovendien niet minder dan 3km bedragen;
  3. Zijn, behalve indien ze voorafgaandelijk zijn toegestaan door de Directeur-generaal, de bewegingen van <paramotoren> verboden in gebieden met beperkingen;
  4. Zijn, behalve indien ze voorafgaandelijk zijn toegestaan door de bevoegde luchtverkeersdienst, de bewegingen van <paramotoren> verboden in de verkeersleidingsgebieden;
  5. Zijn bewegingen van <paramotoren> verboden in gevaarlijke gebieden, boven steden, woonzones, industriële complexen of bijeenkomsten van mensen;
  6. Mogen de <paramotoren> geen acrobatische figuren uitvoeren;
  7. Zijn bewegingen van <paramotoren> in vogelrichtlijngebieden en stiltegebieden verboden op een hoogte lager dan 700 voet ten opzichte van het grondniveau.

ARTIKEL 44:

De bestuurder van een paramotor meldt onmiddellijk elk incident of ongeval, dat zich voordoet bij het gebruik van het luchtvaartuig, aan het Directoraat-generaal Luchtvaart en de bevoegde instantie.

Hoofdstuk 8: Handelsluchtvaartexploitatie

ARTIKEL 45:

Inzake de handelsluchtvaartexploitatie, kunnen de <paramotoren> uitsluitend gebruikt worden voor publiciteit aangebracht op het zweefscherm, mits voorafgaande machtiging van de Directeur-generaal.

Hoofdstuk 9: Diverse bepalingen en overgansbepalingen

ARTIKEL 46:

De vergoedingen vermeld onder de rubriek "Inschrijving van luchtvaartuigen" van het koninklijk besluit van 14 februari 2001 tot vaststelling van de vergoedingen waaraan het gebruik van zekere openbare diensten betreffende de luchtvaart is onderworpen, zijn eveneens van toepassing voor wat betreft de registratie van <paramotoren>.

ARTIKEL 47:

§1: 

Mits voorlegging van een schriftelijk bewijsstuk, kunnen de vlieguren als bestuurder van een paramotor uitgevoerd vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, gedurende een periode van twee jaar ingaande op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden in rekening gebracht als vliegervaring zoals bepaald in artikel 26.

§2: 

De Directeur-generaal kan personen machtigen om, gedurende een overgangsperiode van een jaar ingaande op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de functies van monitor uit te oefenen indien zij houder zijn van het brevet `monitor' uitgereikt door de vzw. Belgische Paramotor Federatie. Na het verstrijken van deze overgangsperiode wordt de bevoegdverklaring hernieuwd overeenkomstig de bepalingen van artikel 30 van dit besluit.

Bijlage I: Methode bepalen geluidsniveau paramotor

  1. Het voortgebrachte geluidsniveau `LA', wordt berekend als het rekenkundig gemiddelde van de geluidsniveaus, uitgedrukt in dB (A) en gemeten op de in punt 7 bepaalde meetpunten.
  2. Het achtergrondgeluid is het gemeten omgevingsgeluid dat niet door het luchtvaartuig veroorzaakt wordt.
  3. De karakteristieken van het geheel van de meetapparatuur stemmen overeen met die, die opgegeven zijn in de norm NBN/C 97-122 (jongste uitgave) uitgegeven door het Belgisch Instituut voor Normalisatie, of een gelijkwaardige norm. Het opgenomen geluidssignaal wordt gelezen door middel van een wegingsfilter `A', met de zogeheten `trage' dynamische karakteristiek.
  4. De meetapparatuur wordt akoestisch geijkt in open veld. De nauwkeurigheid moet groter zijn dan 0,5 dB (A).
  5. De microfoon wordt tijdens de geluidsmetingen tegen de invloed van de wind beschermd door middel van een scherm wanneer de windsnelheid meer dan 3 meter/seconde bedraagt. De metingen worden niet uitgevoerd wanneer de windsnelheid meer dan 5 meter/seconde bedraagt.
  6. Gedurende de proef draait de motor van het luchtvaartuig constant op zijn maximaal toegelaten toerental.
  7. Het luchtvaartuig dient ter plaatse gehouden te worden op een stabiele ondergrond. De metingen worden uitgevoerd op acht meetpunten die zich bevinden in een horizontaal vlak op een hoogte van 1,2 meter boven de grond. Deze punten bevinden zich op een omtrek van een cirkel met een straal van 10 meter en met het middelpunt op de verticale lijn die loopt door de uitlaat van de motor. De meetpunten zijn telkens 45° verschoven ten opzichte van elkaar. Twee van deze meetpunten moeten liggen in het verticale vlak, evenwijdig aan de langsas van het luchtvaartuig, dat door het middelpunt van de cirkel gaat.
  8. De meetduur bedraagt op ieder punt ten minste 15 seconden.
  9. Het achtergrondgeluid is ten minste 10 dB (A) lager dan het door het luchtvaartuig voortgebrachte geluid om de metingen geldig te kunnen uitvoeren.
  10. Het verslag van de uitgevoerde proeven moet volgende inlichtingen bevatten :
    1. het type, het model en het serienummer van het luchtvaartuig, van de motor en van de schroef;
    2. de benaming van de meetapparatuur gebruikt tijdens de geluidsmetingen;
    3. de meteorologische gegevens;
    4. de beschrijving van de lokale topografie en vegetatie en alles wat de metingen zou kunnen beïnvloeden;
    5. de gemeten waarden en de gecorrigeerde waarden van de geluidsdrukniveau's;
    6. het hoogst toegelaten toerental.

Bijlage II: Referentieformulier

Dit registratieformulier kan je hier downloaden en invullen met een pdf-programma (of afdrukken, invullen en terug inscannen).

Dit ingevulde en ondertekende document heb je nodig om uw paramotorscherm te registeren, wat sinds 2020 ook online kan en dus veel eenvoudiger en sneller is (maar het registratieformulier moet je nog altijd uploaden)! Je moet dit registratieformulier eigenlijk ook altijd bij je hebben als je gaat vliegen, ondanks je een registratiebewijs ontvangt na het indienen van dit registratieformulier, ... hmm, waar is de logica?

Bijlage III: Verplichte theoretische en praktische kennis

I. THEORETISCHE PROEF

De kandidaat moet voor de theoretische proef slagen met minstens 70 % van de punten voor elk van de volgende vakken:

  1. Aërodynamica:
    • de aërodynamische krachten op de vleugel
    • het effect van de besturingsorganen
    • draagkracht
    • luchtweerstand en fijnheid.
  2. Aërologie:
    • lucht
    • luchtdruk
    • temperatuur
    • winden
    • wolken
    • thermische en topografische effecten
  3. Techniek van het vliegen:
    • techniek van het opstijgen
    • vliegen in kalme lucht
    • controle van de hoogte en van de richting in rechtlijnige vlucht en in de bocht
    • gebruik van de luchtstromingen
    • techniek van het landen

II. PRAKTISCHE PROEF

De kandidaat moet, alleen aan boord, slagen voor een praktische proef bestaande uit:

  1. De hiernavolgende praktische oefeningen uit te voeren tijdens één of meerdere vluchten:
    • 10 opstijgingen en 10 landingen;
    • 3 landingen met behulp van de voortstuwingsinstallatie op minder dan 20 meter van een doel;
    • 1 landing op minder dan 30 meter van een doel vanaf een hoogte van 150 meter en met de voortstuwingsinstallatie stilgelegd.
  2. Een overlandvlucht tussen twee punten die minstens 5 kilometer van elkaar gelegen zijn.

Bijlage IV: Examens bevoegdverklaring als monitor

I. EEN DIDACTISCH EXAMEN OP DE GROND

De kandidaat bewijst zijn kennis en bedrevenheid in het geven van onderricht voor volgende onderwerpen:

  1. de luchtvaartwetgeving en -reglementering met inbegrip van de bepalingen van dit koninklijk besluit;
  2. aërologie en meteorologie, aërodynamica, vliegtechnieken en materialenkennis en de begrippen van navigatie;
  3. de opleidingsmethode in vlucht met inbegrip van de voorbereiding op de eerste solo-vlucht;
  4. de besturingstechniek van een paramotor.

II. PRAKTISCH EXAMEN

Wordt tot het praktisch examen toegelaten, de kandidaat die slaagt voor het examen I. De kandidaat bewijst zijn bedrevenheid in het onderrichten van:

op de grond:

  1. demonteren en opnieuw monteren van de paramotor, met inbegrip van de didactische uitleg tijdens de verschillende stappen van deze handelingen;
  2. beschrijving en commentaar betreffende het nazicht van het zweefscherm en de voortstuwingsinstallatie nadat het opnieuw gemonteerd werd;
  3. uitleg betreffende het gebruik van de instrumenten.

in vlucht:

a) oefeningen:

  1. één normale bocht van 360° naar links en één naar rechts op constante hoogte;
  2. opstijgen en, op teken van de monitor, de voortstuwingsinstallatie stilleggen en een perfecte landing uitvoeren;
  3. een volledige vliegveldomloop met nadering en doorstarten in korte finale uitvoeren op teken van de monitor;
  4. een volledige vliegveldomloop besloten met een nauwkeurigheidslanding op minder dan 10 m van een grondmerk. Eén enkele poging is toegestaan. Deze oefening moet tweemaal onberispelijk uitgevoerd worden gedurende maximum 3 opeenvolgende pogingen;
  5. een nauwkeurigheidslanding op minder dan 20 m van een grondmerk, vertrekkende van een hoogte van ten minste 150 m boven dit grondmerk met gestopte voortstuwings-installatie. Deze oefening moet tweemaal onberispelijk uitgevoerd worden gedurende maximum drie opeenvolgende pogingen;

b) navigatie:

voorbereiding en uitvoering van een overlandvlucht tussen 3 punten over een afstand van minstens 7 kilometer tussen ieder punt.

De bestuurders die houder zijn van een toelating tot het besturen van een ULM/DPM, van een vergunning van privaatbestuurder (vliegtuigen) of privaatbestuurder (helikopters) of van een hogere vergunning zijn vrijgesteld van deze navigatieproef.

© 2002 - 2021 ikarus.be, alle rechten voorbehouden.
Open WhatsApp chat
1
Hulp nodig?
Hallo, waar kunnen we jou mee helpen?